Fermer

Monumenten en historisch erfgoed

 

Lijst van de beschermde Monumenten en Landschappen in Anderlecht

U kan de lijst van de beschermde Monumenten en Landschappen in Anderlecht op de website van de Directie van Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest raadplegen. 

 

Collegiale Sint-Pieter-en-Guido

Adres: Dapperheidsplein

De collegiale Sint-Pieter-en-Guido, beschermd monument sinds 1938, bezit de mooiste glas-in-loodramen, muurschilderingen en grafstenen van de hoofdstad. Het gebouw combineert essentiële kenmerken van de Romaanse en de gotische architectuur.
De aanwezigheid van de adellijke familie van Aa, in het centrum van het dorp, de oprichting van een kanunnikenkapittel en de cultus gewijd aan Sint-Guido hebben ongetwijfeld, tenminste vanaf de 11de eeuw, bijgedragen tot de oprichting van dit belangrijke religieuze bouwwerk.
Het ontstaan van een eerste parochie in Anderlecht wordt geschat rond de overgang van de 10de naar de 11de eeuw.

Romaanse collegiale
Aan het einde van de 11de eeuw en bij het begin van de 12de eeuw werd de indrukwekkende Romaanse Sint-Pieter-en-Guidokerk opgetrokken.
Het plan van deze kerk leek in grote lijnen op dat van het huidige bouwwerk.
Het feit dat sommige elementen van het oude Romaanse bouwwerk bewaard zijn gebleven, bewijst dat de Romaanse collegiale niet in een maal werd afgebroken, maar stapsgewijs in gotische stijl werd herbouwd.
Zo bleef bijvoorbeeld de Romaanse toren bewaard tot de 16de eeuw, tot architect Keldermans een campagne lanceerde voor de bouw van een nieuwe toren.
De overblijfselen van de Romaanse collegiale houden daar niet op: ook de crypte bleef goed bewaard.

Romaanse crypte
Via de trappen aan beide zijden van het koor heeft men toegang tot de crypte. Deze trappen werden aan het einde van de 19de eeuw door architect Van Ysendijck vernieuwd tijdens een restauratie van de collegiale.
De aanwezigheid van oude toegangspoorten aan de voet van de twee uiterste nissen lijkt erop te wijzen dat de crypte dienst deed als kerk.
De vier centrale zuilen van de crypte trekken telkens weer de aandacht van de bezoekers.
Deze roze zuilen die ondersteboven geplaatst zijn, werden beschadigd door een langdurige blootstelling aan de buitenlucht. Ze vormen een vierkant in het midden van de crypte. Een grafsteen, vaak omschreven als de "grafsteen van Sint-Guido" werd tussen de twee "Romeinse" zuilen geplaatst.

Graf van Sint-Guido
Een trapezevormige blauwe steen wordt meestal als het graf van Sint-Guido bestempeld. We zien duidelijk een lange tak met vier grote bladeren. Deze steen draagt nochtans geen enkel christelijk teken, of een menselijke afbeelding.
Tussen de steunen waarop de steen is geplaatst, is een nauwe vrije doorgang waardoor bedevaarders kropen opdat hun wensen en gebeden verhoord zouden worden door de heilige. We kunnen dit beschouwen als een soort overgangsritueel.
De crypte bevat een houten standbeeld van Sint-Guido, levensgroot en daterend uit de 18de eeuw. Dit standbeeld stond vroeger boven de bron van Sint-Guido, die gelegen was aan het einde van de Instituutstraat en nu deel uitmaakt van de Sint-Annakliniek.
In de crypte staan twee rustieke altaren in witte steen. Deze altaren vormen een hoek met het koor en zijn op de vloer geplaatst, waardoor de Romaanse stenen opnieuw zichtbaar zijn, onder het plamuur en het mestelwerk uit het einde van de 19de eeuw.

Bouw van de gotische collegiale (1350-1527)
De Romaanse collegiale zal een echte metamorfose ondergaan, vooral tijdens de 15de en de 16de eeuw. Het oudste gotische element dat vandaag zichtbaar is, is het zijportaal aan de zuidelijke kant (1350).
Aan het einde van de 14de eeuw en bij het begin van de 15de eeuw vond een grote restauratiecampagne plaats. De drie kerkschepen en de Onze-Lieve-Vrouw-van-Genadekapel kunnen we dateren rond 1400.
Het Romaanse kruisleuk werd tijdens dezelfde periode grondig gewijzigd. Zijn dikke muren omsluiten nog steeds gedeeltes van de oude Romaanse collegiale.
De archieven wijzen er tevens op dat in februari 1469 het kapittel de beslissing nam het Romaanse koor af te breken en onmiddellijk daarna te herbouwen.
Deze werken werden uitgevoerd onder de leiding van Henri de Mol, architect van de collegiale sinds 1443. Hij stierf korte tijd later en Jan van Ruysbroeck, de beroemde architect van de toren van het stadhuis van de Brussel, volgde hem op.
Het koor van de collegiale is zeer lang omdat het de twaalf kanunniken moest herbergen.
De doopkapel werd gebouwd tussen 1487 en 1505.
Architect Mathieu Keldermans, die de plannen van het stadhuis van de stad Leuven tekende, hield zich bezig met het ontwerp van de toren.
De analyse van de kentekens van de steenhouwers toont ons dat de toren in drie fases werd gebouwd, tussen 1506 en 1545.
De stenen spits in neogotische stijl werd slechts aan het einde van de 19de eeuw opgetrokken, volgens de tekeningen van Jules-Jacques Van Ysendyck, de architect van het gemeentehuis. De torenspits werd ingewijd op 19 september 1898.

Restauraties van de collegiale in de 19de en de 20ste eeuw
Vanaf 1843-44 werd begonnen met de restauratie van de kerk onder leiding van architect Suys. De werken beperktten zich tot een uitwendige vernieuwing van het gebouw en werden in 1857 voltooid.
Vanaf 1879 ondernam Jules-Jacques Van Ysendyck zeer belangrijke grondwerken rond de kerk. Het grondpeil van de kerk en van de wegen die de collegiale omringen werd aanzienlijk verlaagd.
Deze werken, gekoppeld aan de bouw van de spits in 1898, hebben een belangrijke verzakking aan de noordelijke kant van de toren tot gevolg gehad, wat de restauratie van het gebouw en zijn omgeving noodzakelijk maakte.
De restauratiewerken, die werden aangevat in 1994 (en duurden tot 1997), zorgden voor de stabilisering en de reiniging van de toren. Er werd ook een speciale verlichting aangebracht om de toren in zijn volle glorie te laten schitteren.

Unieke muurschilderingen
Tijdens de restauratiewerken die vanaf het einde de 19de eeuw uitgevoerd werden in de kerk, werden sporen van vele muurschilderingen blootgelegd.
De collegiale van Anderlecht bevat trouwens de belangrijkste verzameling muurschilderingen van het Brussels gewest. Deze muurschilderingen dateren uit de 15de - 16de eeuw.
Ze werden beetje bij beetje, en grotendeels dankzij de kanunniken, uitgevoerd door kunstenaars die hen afbeeldden met hun wapenschilden. Ondertussen zijn ze alweer dringend aan restauratie toe.
Vermeldenswaardige muurschilderingen zijn: 

  • op de muur bij de doopkapel, een schilderij dat de marteling van Sint-Erasmus afbeeldt; 
  • aan de linkerkant van het dwarsschip beeldt het bovenste schilderij het laatste oordeel uit, het onderste een kolossale Sint-Christoffel, daterend uit 1576;
  • naast het Romaanse kerkraam bevindt zich een enorme muurschildering van drie meter hoog die de verheerlijking uitbeeldt. De zuil van het kruisleuk tegenover dit fresco is versierd met een kleine afbeelding van Guido als bedevaarder;
  • in de Onze-Lieve-Vrouw-Van-Genadekapel vinden we de mooiste collectie muurschilderingen van de kerk, die verwijzen naar de legende van Sint-Guido.

Glasramen van het koor
Het grote glasraam links in het koor is het oudste glas-in-loodraam van de collegiale van Anderlecht en dateert uit het laatste kwart van de 15de eeuw. Het beeldt de Heilige Maagd uit met het kindje Jezus in de armen, omringd door de donateur en zijn patroonheilige aan de linkerzijde en een andere heilige rechts.
De invloed van de Vlaamse schilderkunst is zeer duidelijk. De Heilige Maagd lijkt op een schilderij van Hugo van der Goes. Het realisme van het gelaat van de donateur, de weergave van de stoffen en de plooien en de kwaliteit van de architecturale achtergrond (een kerk met Romaanse vensters en gotische gewelven) doen dit glasraam aansluiten bij de Vlaamse schilderkunst.
Het gaat om een van de oudste glas-in-loodramen van België. Het wordt door drie kleuren gedomineerd: blauw en rood worden afwisselend gebruikt in het centrale deel, smaragdgroen in het bovenste deel.
Het glasraam ertegenover, dat het "Glasraam van de Voorspraak" wordt genoemd, dateert uit het tweede kwart van de 16de eeuw. De compositie concentreert zich op de donateur, zonder twijfel een kanunnik van het kapittel. Deze kanunnik richt zijn gebeden tot Sint-Pieter, patroonheilige van de collegiale. Deze patroonheilige brengt de gebeden over aan Maria en toont haar de sleutel die hemel en aarde verbindt.
Dit glasraam sluit aan bij de Renaissance en niet bij de Gotiek: de plooien van de kleding worden op een rondere manier weergegeven en de typische decoratieve elementen van de Renaissance (maskers, overladen zuilen, cherubijnen,…) worden weergegeven.
De andere kerkramen van het koor zijn neogotisch. Ze worden toegeschreven aan Samuel Coucke en Jules Dobbelare. We situeren ze tussen 1896 en 1905.
Deze glasramen werden gerestaureerd tussen 2000 en 2002. Daarbij hebben de specialisten ervoor gekozen om een buitenraam aan te brengen dat de glasramen moet beschermen tegen vervuiling, klimatologische omstandigheden en vandalisme.

Overige glasramen van de collegiale
De glasramen boven het portaal van het dwarsschip komen uit het Gentse atelier van Camille Ganton en dateren uit 1929. Ganton distantieert zich van de neogotiek door gestileerde personages en een decoratiever gebruik van kleur. Links zien we de tenhemelopneming van Maria en het mirakel van de bloemen in het lege graf. Rechts onderscheiden we Christus, temidden van heiligen en engelen.
Het glasraam boven de ingangspoort is veel moderner. Het wordt toegeschreven aan Michel Martens, een van de interessantste hedendaagse ontwerpers van glasramen in België. Het dateert uit 1970.

Grafstenen en grafmonumenten
In het koor van de collegiale Sint-Pieter-en-Guido bevinden zich twee grafmonumenten die werden opgericht ter nagedachtenis van de landsheren van Walcourt, erfgenamen van het oude huis van Aa.
Links van het koor bevindt zich het mausoleum van Jan van Walcourt die op 17 augustus 1356 deelnam aan de veldslag van Scheut, die gevoerd werd door de Graaf van Vlaanderen tegen de Brusselaars teneinde de stad in te palmen. Hij stierf enkele jaren later, in 1362.
Het graf van Jan van Walcourt, dat gehouwen werd in zeer zacht aanvoelend zwart marmer, heeft de vorm van een volledig gewapend ligbeeld, het hoofd rustend op een kussen, de handen gekruist op de borst, met een leeuw aan de voeten.
Dit mausoleum is van groot historisch belang door de gedetailleerde wijze waarop de militaire kleding van de 14de eeuw wordt weergegeven. Het gaat hier om een overgang tussen de kleding met mazen en het stalen harnas van de 15de eeuw.
Aan de andere kant van het koor bevindt zich het mausoleum van Arnold van Hooren, landsheer van Gaasbeek en patroon van het kapittel van Anderlecht in de hoedanigheid van landsheer van Walcourt.
Het werk in renaissancestijl, door sommigen toegekend aan de beeldhouwer Jean Mone, werd niet onmiddellijk na de dood van deze bekende landsheer in 1505 ontworpen, maar rond het midden van de 16de eeuw. Dit wordt bevestigd door de kleding van het personage en de omringende versieringen.
Het ronde dwarsschip (links van het koor) bevat drie interessante bas-reliëfs. Het oudste bevindt zich boven het grafschrift van kanunnik en dokter van Filip de Goede, Albert Ditmar, die in 1438 stierf.
Het bas-reliëf valt op door de realistische weergave en door de schoonheid van de draperieën, waarvan het textiel in harmonieuze plooien valt. Het gaat hier om een meesterwerk uit de gotische kunst.
In de buurt van het Ditmar-monument bevindt zich een ander standbeeld van de gekruisigde Christus en de Heilige Maagd.
Een geknielde kanunnik en Johannes de Doper bekijken het tafereel. Het werk dateert uit 1597. Omwille van de gotische en flamboyante architectuur en het realisme van de personages, kunnen we dit werk nog als gotisch bestempelen.
Het derde laag-reliëf valt op door zijn kleine formaat en de rijkdom van de versieringen, die typisch zijn voor het triomferende italianisme. Het gaat hier om een monument ter nagedachtenis van Barthold van Barthoulz, die op dertienjarige leeftijd stierf in 1532.
Ondanks de vervanging van de vloerbekleding van de collegiale in 1902, bevat de kerk nog 96 graftomben daterend uit de 15de tot de 18de eeuw, waarvan het merendeel aan kanunniken is opgedragen.
De mooiste grafstenen bevinden zich tegen de muren van de doopkapel . De stenen die er bewaard worden, getuigen van de aanwezigheid van welstellende Brusselaren die zich in Anderlecht vestigden na tussenkomst van het kapittel. Ook zij werden hier begraven.

Leven van Sint-Guido
Het "Leven van Sint-Guido" of de "Vita guidonis" werd meer dan een eeuw na zijn dood geschreven. Volgens deze "Vita guidonis" werd Guido geboren in een landbouwersfamilie, in de tweede helft van de 10de eeuw. Eerst werkte hij als boer, daarna werd hij koster van de Onze-Lieve-Vrouw-kerk van Laken. Hij laat zich door een Brusselse koopman overhalen handel te drijven, maar zijn schip strandt op een zandbank in de Zenne. Omdat hij deze gebeurtenis interpreteert als een teken van God, keert hij terug naar Laken.
Hij besluit naar Rome en naar andere bedevaartsoorden te trekken. Zeven jaar lang bezoekt hij de bekendste kerken van de wereld.
Wanneer hij via Rome terugkeert, ontmoet hij Wonedulfus, decaan van het kapittel van Anderlecht. Samen besluiten ze Jeruzalem te bezoeken.
Op de terugweg naar het vaderland, sterven Wonedulfus en zijn vrienden. Wonedulfus vraagt hem zijn dood aan de zijnen mee te delen en hun zijn gouden ring te overhandigen als bevestiging van dit droevige nieuws.
Uiterst vermoeid keert Guido terug naar Anderlecht, waar hij in het huis van de vice-decaan op 12 september 1012 sterft aan dysenterie. De juiste begraafplaats van Guido kennen we niet, maar deze bevindt zich waarschijnlijk op het kerkhof rond de kerk.
De onfortuinlijke bedevaarder wordt snel vergeten. Ongeveer veertig jaar na zijn dood, werden in de Vita de eerste mirakels opgetekend. Het paard van landsheer Onulfus stootte zijn hoef tegen het graf en stierf een tragische dood: het brak zijn schedel tegen een muur. Zijn aangedane meester liet het graf door een haag omringen. De twee boeren die belast werden met het planten van de haag spotten met de man die reeds zo lang dood was. De ene stierf dezelfde nacht, de andere de volgende dag. Vanaf dat moment begreep de bevolking deze les en haastte ze zich naar het graf van Guido. De vergetelheid veranderde in verering.
Vandaag maakt Sint-Guido integraal deel uit van het Anderlechtse leven. De collegiale domineert het historische centrum van de gemeente. Zijn afbeelding is terug te vinden op het gemeentelijke wapenschild, Sint-Guido is het hoofdpersonage in een jaarlijkse processie en bepaalt tevens de datum van de u jaarmarkt.
 

Historisch centrum

Dapperheidsplein
Tijdens de voorbije honderd jaar is het aanzicht van het "historische centrum" of "rinck" van Anderlecht grondig veranderd.
Tijdens de uitbreidingswerken rond de collegiale die aan het einde van de 19de eeuw ondernomen werden door architect Jules-Jacques Van Ysendijck, werd het kerkhof gesaneerd om het voorplein uit te breiden. De externe bodem werd verlaagd om er een voetpad aan te leggen en de rinck werd met de d'Aumalestraat verbonden, die toen reeds bestond.
Op 8 mei 1911 keurt de gemeenteraad een verkavelingsplan goed dat bepaalt dat de "gevels die opgetrokken zullen worden op de Pleinplaats zich moeten inspireren op de stijlen tussen de 16de en de 18de eeuw, teneinde een te groot contrast met de Sint-Pieterkerk te vermijden. Alle gevels worden in zichtbare materialen uitgevoerd en moeten voldoen aan bepaalde architecturale voorwaarden die enkel de gemeente zal mogen beoordelen”.
Vanaf 1912 prijken de "pastichewoningen" trots met hun barokke, "uitgezaagde" puntgevels of met hun Vlaamse trapgevels op de Pleinplaats.
Op de hoek van het Dapperheidsplein en de Porseleinstraat bevinden zich enkele oude gebouwen uit het einde van de 18de eeuw. Deze gebouwen worden vandaag als tavernes uitgebaat, "Les Tretaux" en "het Paviljoen". Op de hoek van het plein en de Kapittelstraat, stuiten we op een eenvoudige woning (1700) in oranjekleurige baksteen, die onlangs gerestaureerd werd en toebehoort aan het Gemeenschapscentrum De Rinck.

Voormalige eigendom Vandenpeereboom

Adres: Dapperheidsplein 17

In 1890 koopt Jules Vandenpeereboom, minister van Spoorwegen, Posterijen en Telegrafie, een eigendom op het Dapperheidsplein, tegenover het voorplein van de collegiale, waar een kanunnikenwoning stond uit de 18de eeuw.
Hij laat dit huis afbreken om er, volgens de plannen van architect François Malfait een nieuwe constructie neer te poten die perfect aansluit bij de traditie van de 16de eeuw.
Het woonhuis en de oude geplaveide koer is bewaard gebleven en de waterput waaruit vroeger een geheime doorgang vertrok (die momenteel nog gedeeltelijk bestaat) werd overtrokken door ijzersmeedwerk, naar een werk dat zich in het Musée Cluny in Parijs bevindt.
Bij zijn dood in 1917, schonk hij zijn eigendom en zijn collectie aan de Staat, op voorwaarde dat zijn huis toegankelijk zou blijven voor het publiek.
De kunstcollecties werden verspreid over het Jubelparkmuseum, de Terkamerenabdij, het Hallepoortmuseum en het Erasmushuis, waarvan het meubilair voor een groot deel afkomstig is uit het Vandenpeerenboomhuis. De Staat respecteert de toegankelijkheid van het huis voor het publiek. In 1924 wordt ook de Commissie van de Archieven van het Leger in het huis ondergebracht.
Na een reeks restauratieprojecten en de oprichting van een studiecentrum voor toegepaste historische hulpwetenschappen, komt het huis in handen van het ministerie van Vlaamse Cultuur. Dat brengt er na de restauratie in 1979 de rijksschool voor Beeldende Kunsten in onder.

Porseleinstraat
Slechts in 1850 verschijnt de naam "Porceleynstraat". Het ontstaan van deze benaming is nog niet helemaal duidelijk, maar de meest waarschijnlijke hypothese is dat het gaat om een allusie op de postelein, een plant met kleine bladeren waarvan een variëteit als groente werd geteelt.
Gedurende lange tijd droeg dit straatje geen naam, maar werd het op de volgende wijze omschreven «straetken gaende van de kercke naar de Hooghstraete».
De Porseleinstraat biedt ons nog een overzicht van de omgeving van de rinck.
Ze bevat twee gebouwen die uit de 18de eeuw stammen, de cafés "Le Pavillon", "'t Kotje" en "Les Trétaux" die het dichtst bij het Dapperheidsplein gelegen zijn.

Vredegerecht

Adres: Verzetsplein 3

Op het Verzetsplein bevindt het vredegerecht zich één van de meest monumentale bouwwerken in Anderlecht.
Het industriële en economische belang van de gemeente aan het einde van de 19de eeuw zorgde ervoor dat zij door de wet van 27 mei 1890 hoofdkanton van het vredegerecht werd.
In 1893 begint de architect Louis Ernest S’Jonghers (1866-1931) met de plannen voor dit uitzonderlijke bouwwerk.
Hij beperkt zich hierbij niet louter tot de architecturale aspecten, maar ontwerpt ook de lantaarns, de binnenverlichting, alle meubelen en het interieur.
Het interieur van de rechtszaal op de eerste verdieping is een meesterwerkje. De rechtszaal beschikt over een opmerkelijk plafond, ondersteund door stalen versierde balken. Ze werd voorzien van meubilair passend bij het decorum eigen aan rechtsvonnissen.
De grote glas-in-loodramen sieren de ramen op de eerste verdieping.
 

Kuregemwijk

Sinds de 12de - 13de eeuwe wordt het oostelijke gedeelte van de gemeente «Kuregem» genoemd en telt ongeveer 350 hectare tussen de spoorweg en grondgebied van de stad Brussel.
Een belangrijke factor voor de economische ontwikkeling van Kuregem is onbetwistbaar de aanwezigheid van de Zenne. Na de eerste watermolens in de 13de eeuw, vestigen zich vanaf het einde van de 18de eeuw de eerste verfindustrieën, stomerijen, spinnerijen, weverijen, wasserijen en drukkerijen aan de rand van de rivier. Kuregem is daarbij de ideale vestigingsplaats: de wijk ligt niet te ver van het centrum en er is ruimte en water in overvloed. Dit water wordt gebruikt om de primaire grondstoffen te wassen (wol en katoen) en de stoffen te kleuren en te spoelen. De uitgestrektheid is noodzakelijk om de doeken te drogen.

De aanwezigheid van deze eerste fabriekjes langs de Zenne vormt de perfecte voedingsbodem voor een veel belangrijkere industriële ontwikkeling, met als sleutelmoment de bouw van het slachthuis van de stad Brussel in 1842.

Het slachthuis van Brussel, 50 jaar later gevolgd door het slachthuis van Anderlecht, brengt voor de naaste omgeving een reeks veranderingen mee: leerlooierijen, zeemleerfabrieken, leerhandels, handschoenfabrieken, kaarsfabrieken, hoedenfabrieken...

Vanaf 1859 besluiten de gemeentelijke gezagsdragers van Anderlecht om in Kuregem een burgerwijk te bouwen. Het is dan ook geen toeval dat in Kuregem de belangrijkste gemeentelijke (gemeentehuis), economische en culturele gebouwen terug te vinden zijn. Deze ontwikkeling wordt bekroond door de bouw in de wijk rond de nieuwe veeartsenijschool in 1896.
Aan het einde van de 19de eeuw telt Kuregem meer inwoners en een hogere productiviteit dan het historische centrum van Anderlecht, dat nog steeds semi-rurale eigenschappen heeft en pas vanaf 1878 dankzij de aanleg van de Wayezstraat met Brussel verbonden zal worden.

Kuregem heeft ongetwijfeld het interessantste architecturale erfgoed te bieden in Anderlecht: de straten en lanen geven ons een volledig beeld van de architecturale stromingen uit de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw.

Na de restauratie van verscheidene gotische gebouwen ontwikkelde zich in 1840 de neogotische stijl (de cultuurwinkel in de Van Lintstraat 16 en de Herzieningslaan 66).
De laatste 40 jaar van de 19de eeuw is de overheersende stijl het eclectisme (de Fiennesstraat, Van Lintstraat, Moreaustraat en Herzieningslaan).

Vanaf 1870 gaat de Vlaamse neorenaissance, naast het eclectisme, op zoek naar een «nationale» stijl (Kliniekstraat 102-110).

In 1893 is het de beurt aan de art nouveau. Deze stijl ontstaat uit een spontaan protest tegen het verstarde architecturale aanbod aan het einde van de 19de eeuw. Kunstenaars streven naar een totaalkunst, die een gewilde breuk vormt met het verleden (van Lintstraat 5-7-9 en Rossinistraat 6-10-12).

Vanuit de art deco volgt een trend naar vereenvoudiging van de decoratieve vormen en de stilering, die vooral vanaf de jaren 20 de overhand neemt (Hoedstraat 17, Luchtvaartsquare).

Het functionalisme steekt de kop op in de jaren 30 en maakt gebruik van ronde hoeken, witte gevels, terrassen en plateaus (het scheepsgebouw in de Jorezstraat 21-23).


Slachthuizen

Adres: Ropsy Chaudronstraat 24

Op 12 mei 1888 wordt de naamloze vennootschap "Abattoirs et Marchés d’Anderlecht-Cureghem" opgericht.
De eerste etappe bestaat erin de loop van de kleine Zenne om te buigen en enorme ophogingen te verwezenlijken voor de drooglegging van de moerassige weilanden tussen de rivier en het kanaal.
Om de funderingen van de grote overdekte hal te verlagen (tot meer dan 4 meter diep) teneinde het bouwwerk op een behoorlijke manier te grondvesten, laat het bedrijf een enorme kelder aanmaken.
Een ventilatiesysteem zorgt voor verse lucht in deze immense kelder, die eerst als ijskelder en later als champignonkwekerij wordt gebruikt. In 1992 wordt de kelder ingericht als handelsruimte met receptiezalen voor feesten.
De grote overdekte hal van het slachthuis, net als het administratieve gebouw rechts van de hoofdingang en een deel van de Stallestraat, zijn van de hand van Emile Tirou.
De overdekte markt is één van de meest opmerkelijke industriële monumenten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Het slachthuis van Anderlecht is opgevat als een «stad in een stad» met straten (Stallestraat), een plein (binnenkoer), een monument (de grote hal), gebouwblokken (koel- en heetwaterruimte, administratief gebouw), ontspannings- en handelsruimten (winkeltjes, herberg,...) en een eigen station.
In het definitieve dossier voor de bouw van de hal lezen we dat 218 ton gietijzer en 640 ton ijzer werd gebruikt. De hal zelf wordt trouwens gezien als een revolutionair voorbeeld van de industriële architectuur. Op een oppervlakte van 100 vierkante meter staat een echt bos van gietijzeren zuilen (één om de 10 meter) en op de kapittels rust een staalconstructie in boogvorm.
De huidige ingang van het slachthuis werd ontworpen door Rieck in 1901.
Het hek aan de ingang en de zuilen met de stieren hebben een symbolische betekenis: het toont aan het publiek dat deze plaats open staat voor iedereen.
De twee bronzen stieren sluiten aan bij de grote dierenbeeldhouwkunsttraditie in de 19de eeuw en werden ontworpen door Antoine Braye. Samen met de metalen hal vormen zij ongetwijfeld een herkenningsteken dat de aanwezigheid van het slachthuis zichtbaar maakt vanaf de straat.

Het nieuwe slachthuis van Kuregem werd officieel ingebruik genomen op 24 augustus 1890. De rivaliteit met het slachthuis van Brussel duurt voort tot de definitieve sluiting in 1943.
Door het succes van het slachthuis van Kuregem toont de gemeente al vlug interesse om het beheer ervan opnieuw in handen te nemen. Dit wordt vastgelegd in een koninklijk besluit van 19 december 1920. Vanaf 1920 worden de slachthuizen en de markten dan ook gemeentebedrijven.
In 1953 wordt de spoorwegverbinding afgeschaft wegens de concurrentie van het wegvervoer en koelvrachtwagens, maar ook omdat de heropbouw van de spoorwegbrug, die tijdens de oorlog beschadigd werd, te duur was.
In 1996 wordt het uitvoerrecht van het slachthuis ingetrokken, wat leidt tot een aanzienlijke terugloop van de inkomsten.
Naar aanleiding van een jaartekort van meer dan 100 miljoen Belgische franken ten laste van het gemeentebudget, doet de gemeente Anderlecht op 9 november 1983 afstand van de eigendom, die daarna wordt doorverkocht aan een nieuwe maatschappij die 150 handelaars en slagers telt.
Vanaf dat moment zorgden nieuwe voorzieningen en moderneringswerken ervoor dat het slachthuis zijn uitvoerrecht terugkrijgt en dat het zijn activiteiten hervat kunnen worden.
 

Gemeentehuis

Adres: Raadsplein 1

Geschiedenis
Het gemeentehuis van Anderlecht werd ontworpen door architect Jules Jacques Van Ysendyck (1836 - 1901) in een eclectische stijl, ook wel Vlaamse neorenaissance genoemd.
Van Ysendyck ontwierp in 1880 voor Anderlecht ook nog de gemeenteschool in de Wayezstraat en in 1898 werd hij belast met de restauratie van de Sint-Pieter-en-Guidokerk waaraan hij een neogotische spits aan toevoegde. Hij ontwierp ook de gemeentehuizen van Schaarbeek en Jette.
Het Anderlechtse gemeentehuis, aan het Raadsplein en de de Fiennesstraat, is gelegen in het centrum van Kuregem. Het werd gebouwd tussen 1877 en 1879 en beschermd in 1995. De decoratie gebeurde door Charles Albert, die samenwerkte met een rist kunstenaars van wie de namen terug te vinden zijn op de ramen aan de eretrap.

Voorgevel
De monumentale voorgevel omvat vijf traveeën en bestaat uit drie niveaus: een onderbouw in blauwe steen en twee bovenliggende lagen Dorische en Ionische pilasters. In het midden bevindt zich de stadsklok, vierkantig en massief, in een bolvormig torendak. Als symbool van de gemeentelijke vrijheid prijkt het Anderlechtse blazoen erop. De klok is uitgerust met drie wijzerplaten. Twee trappen leiden naar de lagere loggia. Aan weerszijden van de toren bevinden zich hoge ramen, balkons en frontons.

Interieur
De toegangshal van het gemeentehuis is sober versierd en geplaveid met mozaïeken. Hier bevinden zich ook twee kopies beeldhouwwerken van Constantin Meunier: de Dokwerker en de Zaaier.
De eretrap is voorzien van een elegante smeedijzeren leuning en wordt verlicht door een opmerkelijk venster met gekleurde glas-in-loodramen. In dit uitzonderlijke decor zien we ook verschillende omlijstingen met opschriften die verwijzen naar de inwijding van het bouwwerk en de gemeentelijke gezagsdragers die er toen vergaderden. Aan de muren hangen dorpsplannen van Anderlecht en Kuregem op het moment van de inwijding.
Op de eerste verdieping bevindt zich een ruime centrale overloop die toegang verleent tot de verschillende bureaus en drie zalen: de raadzaal in het midden, de collegezaal rechts en het kabinet van de burgemeester links.

Raadzaal
In de grootste zaal vergadert de gemeenteraad en vinden de huwelijken plaats.
Bij het binnengaan, zal de bezoeker ongetwijfeld de glasramen en het decor met de sombere kleuren opmerken: onze ogen zijn niet meer gewend aan dit soort, naar onze huidige normen zwak verlichte, interieurs. De muren zijn bedekt met trompe-l'oeil-schilderijen op doek, zodat het gedrapeerde stoffen lijken. In het midden van de raadzaal scheidt een houten balustrade de publieksbanken van de tafels en zetels van de gemeenteraadsleden. Het meubilair bestaat uit eiken en met leder bekleedde zetels en stoelen waarop het wapenschild van Anderlecht staat. Marmeren borstbeelden en grote schilderijen vervolledigen dit indrukwekkende decor. De verlichting bestaat uit drie grote koperen kroonluchters.

Collegezaal
Het belangrijkste decoratieve element in deze ruimte is de monumentale schoorsteen met open haard en piramidale kap. Op de achtergrond beeldt een schilderij een gevechtstafereel uit. Het geheel wordt omringd door twee boekenrekken. Net zoals in de
raadzaal zijn ook hier de muren bekleed met weelderig beschilderd brokaat. In het midden van de zaal staat een lange tafel waaraan het college van burgemeester en schepenen elke dinsdag vergadert.
 

Veeartsenschool

Adres: Veeartsenstraat 41-47

Geschiedenis
Na de revolutie van 1830 tekent koning Leopold I een vonnis dat aan een Commissie van Brussel de opdracht geeft om kandidaten te zoeken en officiële veeartsendiploma’s uit te reiken.
Deze commissie bestaat uit twee artsen en drie veeartsen. In 1832 richt deze economische plattelandsschool in het leven op.
Ze bevindt zich eerst in de lokalen van de commissie zelf, alvorens te verhuizen naar het Paleis voor Schone Kunsten.
Een veeartsenschool temidden van een stedelijke omgeving zorgt algauw voor problemen en in 1836 neemt de regering de privé-school over en herbergt haar op kosten van de Staat in Kuregem.
Maar ook deze plaats zorgt voor overlast, onder meer door de regelmatige overstromingen van de Zenne. Bovendien vormt de school ook een hinderpaal voor de ontwikkeling van Kuregem en voor de verbinding ervan met het centrum van de stad.
Na onderhandelingen tussen het Anderlechtse schepencollege en de regering neemt de toenmalige minister van Landbouw de Bruyn in 1892 de beslissing om een nieuwe school te laten bouwen aan de Herzieningslaan.
Deze school vormt in 1895-96 het uitgangspunt voor de bouw van twee nieuwe wijken in Anderlecht: de Luchtvaart- en de Veeartsenwijk.
Voor de bouw van de nieuwe school in Kuregem vaardigt Anderlecht vanaf 1890 een decreet uit voor de aanleg van een reeks straten die de toegang tot deze nieuwe wijken zal vergemakkelijken. Dit zal later trouwens één van de rijkste wijken in Kuregem worden.

Bouw van de veeartsenschool
De plannen en de werken worden toevertrouwd aan architect Seroen.
De moerassige grond en de Zenne zorgen voor enorme technische problemen.
Er wordt meer dan 100.000 kubieke meter grond gestort voor de aanleg van tuinen. Elk gebouw rust op indrukwekkende kelders, onderling verbonden door galerijen met doorgangen en voorzien van een drukverlagingssysteem. Het geheel is samengesteld uit 19 gebouwen, gescheiden door koertjes en tuinen. Alle gevels zijn in Vlaamse neorenaissancestijl.
Het administratieve gebouw herbergt oorspronkelijk de administratieve diensten, de academische zaal en de bibliotheek.
Op de eerste verdieping bevinden zich de oude zalen van de bibliotheek, waarin de oorspronkelijke structuren met de fijne gietijzeren zuilen en de kapitelen met haken nog makkelijk kunnen worden herkend.
Op de tweede verdieping bevindt zich de academische zaal waarin, ondanks een verbouwing, enkele beschilderingen bewaard zijn gebleven.
Vanaf 1969 wordt de veeartsenschool van Kuregem overgeheveld naar de universiteit van Luik en verliest ze haar onafhankelijkheid. Tijdens de zomer van 1991 verlaat deze faculteit Anderlecht om zich te vestigen in Sart-Tilman bij Luik, waar voortaan de lessen plaatshebben.
Het dakwerk en de gevels van de oorspronkelijke gebouwen en het volledige coplex worden in 1990 beschermd.
 

Driehoekwijk

Studie- en Documentatiecentrum "Oorlog en Hedendaagse Maatschappij" - Dienst Oorlogslachtoffers (voorheen gebouw van de Sociale Voorziening)

Adres: Luchtvaartsquare 29-31

In 1911 vraagt de verzekeringsmaatschappij "La Prévoyance sociale" aan architect Richard Pringiers (1869-1937), medewerker van Victor Horta, om haar kantoorgebouw aan de Luchtvaartsquare te ontwerpen. Richard Pringiers zal met dit gebouw een pareltje ontwerpen.
In 1930 worden architecten Fernand en Maxime Brunfaut aangesproken voor de verbouwing van het hoekgebouw en voor het toevoegen van een nieuw gebouw in art decostijl. Deze architecten krijgen de opdracht om de gevel van Pringiers te bewaren. Ze voegen wel gietijzeren balkons toe aan de derde en vierde verdieping en een glazen koepel op het dak.
Hierbij worden de belangrijkste materialen – marmer, glas en chroom – door elkaar gebruikt.

Vader en zoon Brunfaut ontwerpen niet alleen het gebouw, maar zorgen ook voor de decoratie en het meubilair, tot in de kleinste details (verlichting, brievenbus, deurklinken). Een gedeelte van dit meubilair kon tot op heden bewaard blijven, met onder andere het bureau en het salon van de directeur en verschillende andere meubelen.
Op 9 september 1993 wordt het gebouw beschermd. Het is nu eigendom van de Regie der Gebouwen, die het renoveert om er een studiecentrum over de tweede wereldoorlog te herbergen.

Het gebouw "Constantia"

Adres: Luchtvaartsquare

Vlakbij het gebouw van de sociale voorziening bevindt zich een ander gebouw, opgetrokken in 1912 door verzekeringsmaatschappij «Constantia». Dit gebouw werd onlangs omgevormd en gerenoveerd door de liberale Belgische vakbond.
Vooral opmerkelijk is de grote betonnen koepel die doorboord is met 13.000 cirkelvormige blauwe, gele, oranje en witte glastegels, vervaardigd door Val-Saint-Lambert.
De koepel wordt ondersteund door stevige betonnen balken, die te zien zijn vanop de verdieping en door de rechthoekige ramen. Deze structuur in doorschijnend beton is uniek in België en vormt een uitzonderlijk voorbeeld van het experimenteren met deze bouwtechniek in de jaren 20 en 30.

Grote sluis

Adres: Poincarélaan 77

Eeuwenlang veroorzaakte de Zenne overstromingen, een euvel waar vooral Kuregem onder te lijden had. Bij de bouwwerken voor de tweede omwallingen van Brussel in de tweede helft van de 14de eeuw wilde de stad zich dan ook wapenen tegen het stijgende rivierwater, hetgeen gebeurde door middel van twee sluizen aan de binnenloop van de twee armen van de Zenne. De grote sluis in Anderlecht maakt dus deel uit van de vestingmuren van de stad.

In maart 1807 verkoopt de stad Brussel het gebouw om het te laten afbreken. Architect Auguste Payen koopt het in 1808 en maakt het bouwwerk met de grond gelijk, met uitzondering van het gewelf op het gelijkvloers en drie rechthoekige ramen op de eerste verdieping.

In 1992 krijgen architecten Vincent Nève en Jos Vandenbreeden van de stad Brussel (huidige eigenaar van het gebouw) de opdracht om het te restaureren en zij laten het mechanisme opknappen. Er wordt ook een tussenverdieping gebouwd in de vrijgekomen ruimte, die zal dienen als restaurant.
 

Scholen

De bevolkingsbloei tussen 1860 en 1880 brengt de gemeente ertoe om nieuwe schoolgebouwen op te trekken.
Het eerste voorbeeld van een monumentale school is gelegen aan de Wayezstraat 56 en werd gebouwd in 1880. Architect Jules-Jacques Van Ysendijck is ook verantwoordelijk voor het ontwerp van het gemeentehuis.
De school aan de Ropsy-Chaudronstraat 7 dateert ook uit deze periode (1888) en is van de hand van architect Hansotte. Dit gebouw werd herdoopt tot de Curo-hall, een intercultureel gemeenschapscentrum.
De meeste Anderlechtse gemeentescholen werden ontworpen door Louis Ernest S'Jonghers (1886-1931). Deze architect wordt in 1887 door de gemeente in dienst genomen als tekenaar-architect bij de dienst Openbare Werken. Als gemeentearchitect zal hij verantwoordelijk zijn voor onder meer de volgende scholen: 

  • basisschool Odonstraat 22
  • basisschool Eloystraat 114
  • Institut Marius Renard G. Moreaustraat 107


Astridpark en Vanden Stockstadion (Royal Sporting Club Anderlecht)

Geschiedenis
In 1903 stelt de weduwe Ruelens-Lefèvre het gemeentebestuur voor om haar eigendom te kopen. Het huis met grote tuin is bekend onder de naam Huis der Kunstenaars. De aankoop van het domein Ruelens betekent meteen ook de start voor de aanleg van het toekomstige gemeentepark.

In 1905 wordt een bijkomend aanpalend terrein aangekocht door de gemeente. De meerderheid besluit officieel om een nieuwe wijk in het leven te roepen (Meirwijk) rond een groot park.

Het park van Anderlecht of Meirpark wordt officieel geopend op 13 augustus 1911. Ter uitbreiding worden er tot in 1928 bijkomende gronden aangekocht.

In 1926 vertrouwt het schepencollege de aanleg van het nieuwe Meirpark toe aan tuinarchitect Jules Buyssens. Buyssens werkt gedurende 20 jaar aan de aanleg van het toekomstige Astridpark, dat nooit helemaal af zal geraken.

Op 29 augustus 1935 sterft koningin Astrid in een tragisch auto-ongeluk. Schepen Berrewaerts stelt voor om de naam van koningin Astrid te verbinden aan een square.
Na een beraadslaging besluit het college van burgemeester en schepenen om de benaming «Meirpark» te vervangen door «Astridpark».

Voetbal in het Astridpark
De sportterreinen van het Astridpark staan reeds sinds 18 mei 1914 ter beschikking van Sporting Club Anderlecht. 1935 is een overgangsjaar, zowel voor het Astridpark als voor RSCA, dat een naamloze vennootschap wordt en een erfpacht van 30 jaar afdwingt van de gemeente voor een oppervlakte van 4 hectare. De sportclub gebruikt dan al een derde van de totale oppervlakte van het park.
Op 30 april 1946 krijgt RSCA toestemming voor de aanvang van de uitbreidingswerken aan het Emile Verséstadion. In 1969 starten dan de werken voor de gemeentelijke omnisportzaal Henri Simonet, die duren tot 1971.
De jaren 80 worden gekenmerkt door moderniseringswerken voor RSCA. Het Emile Verséstadion wordt in deze periode omgebouwd en Vanden Stockstadion gedoopt.
 

Tuinwijken

Geschiedenis
Het idee voor de tuinwijken komt uit Engeland en Nederland, waar de grote steden werden ontlast door ze te omringen met zelfstandige wijken.
De bedoeling was om aan de rand van overbevolkte (voor)steden tuinwijken te creëren waar solidariteit en gelijkheid zou heersen.
De ontwerpers van de Belgische tuinwijken gaan radicaal in tegen de werkmanshuisjes uit de industriële periode en willen hun bewoners een maximum aan ontwikkelingskansen bieden.
Vandaag zijn deze Brusselse tuinwijken bevoorrechte woningen. Maar aanvankelijk waren deze wijken ver verwijderd van het centrum en dus moeilijk bereikbaar.

Tuinwijken in Anderlecht
De huisvestingsmaatschappij De Anderlechtse Haard werd opgericht in 1907 en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de tuinwijken.
Anderlecht telt drie tuinwijken:

Het Rad
De eerste woningen bekostigd door de Anderlechtse Haard zijn die van Het Rad, gebouwd tussen 1907-1908 aan de Burgerstraat en de Duivenmelkersstraat.

Moortebeek
Moortebeek betekent oorspronkelijk «modderige beek». In 1921 stichten 120 coöperatieleden de Collectieve Haarden en stellen ze de bouw van de tuinwijk in Moortebeek voor. Deze wijk telt 330 huizen en 124 appartementen die onderdak zullen bieden aan niet minder dan duizend mensen.

Goede Lucht
De grond waarop deze tuinwijk gebouwd is, werd aanvankelijk onbewoonbaar verklaard. De bouw van de tuinwijk Goede Lucht door de Anderlechtse Haard start in 1923.
 

Elishouthoeve

Adres: Emile Grysonlaan

Het belangrijkste deel van het Elishoutbos werd in het begin van de 14de eeuw door de familie van Aa geschonken aan de abdij van Vorst. De Elishouthoeve maakt sinds 1328 deel uit van de abdij.
De huidige Elishouthoeve werd meerdere keren uitgebreid en gerenoveerd. Laatste bewijs daarvan is het jaartal «1754», terug te vinden op de gevel van de woning.
De gebouwen werden opgehoogd in verhouding tot de binnenkoer, ongetwijfeld omwille van de regelmatige overstromingen van de Zenne.
De Elishouthoeve werd ingelijfd binnen het COOVI-complex, dat sinds 1994 beheerd wordt door de provincie Brabant. De hoeve is nu eigendom van de VGC.
Het volledige complex blijft één van de beste voorbeelden van de grote abdijhoeves in de omgeving van Brussel.
 

Industrieel erfgoed aan het kanaal van Charleroi

De grote brouwerijen vestigen zich het liefst in de buurt van het kanaal, dat de aanvoer van graan voor de bierproductie mogelijk maakt.
Zo werd in 1912 ook brouwerij Sint-Guido vlakbij het kanaal gebouwd, aan de Vrij Onderzoekstraat en de Naaldstraat. In 1924 werd deze brouwerij omgedoopt tot Brasserie Atlas.
Ook maalderijen vestigen zich aan de rand van het kanaal. Zo wordt Maalderij Moulart opgericht in 1903. In 1940 krijgt ze er een tweede gebouw bij.
In 1903 bouwt de Brusselse Trammaatschappij hier een elektrische centrale.
Deze drie gebouwen zijn nu beschermde monumenten en unieke getuigenissen van de lang vervlogen industriële activiteiten rond het kanaal van Charleroi.

Brouwerij Atlas

Adres: Vrijonderzoekstraat 13

In 1912 wordt op de plaats «kleinemolen» in «Op-Kuregem» brouwerij Sint-Guido opgericht. In de wijk rond de Vrij Onderzoekstraat en de omgeving van de Demetskaai gaan alle activiteiten met betrekking tot de fabricatie van bier zich centraliseren: brouwerijen, flessenproducenten en brouwtoestelfabrieken.
Vanaf 1912 komen hier dan ook brouwerszalen, gistingszalen en kelders. Op de eerste verdieping van dit gebouw staan nog vaten uit deze periode.
In 1924 worden er een reeks bijgebouwen aangebouwd: stallen en kantoren, een zadelmakerij, spoelzalen en aftapzalen.
De gevels van de kantoren en de stallen zijn zichtbaar vanaan de Vrij Onderzoekstraat.
In 1926 wordt de fabrieksbiertoren van 30 meter gebouwd, die te zien is tot ver buiten de wijk. Deze toren is niet alleen een voorbeeld van het publicitaire gebruik van de art decostijl door de industrie, maar ook van een ingenieuze bouwtechniek (betonstructuur opgevuld met bakstenen) die aanleunt bij een nieuwe "trapsgewijze" brouwmethode die uit zeven fasen bestond.
De activiteiten van de brouwerij stoppen in 1952, maar het Atlasbier wordt nog tot 1980 gebrouwen door de brouwerij Haecht, die de gebouwen in Anderlecht als opslagruimte blijft gebruiken.
Enkele jaren geleden werd brouwerij Atlas opgekocht door de gemeenschap Emmaüs (vzw "La Poudrière").

Voormalige maalderij Moulart

Adres: Fernand Demetskaai

In 1903 wordt het eerste gebouw van de maalderij Moulart door Léon Moulart gebouwd op het nummer 23 van de Demetskaai, ter vervanging van een maalderij in de Barastraat.
Deze verhuizing was nodig voor de uitbreiding en modernisering van de installaties, maar ook omwille van de voordelen van het kanaal en de spoorweg voor het transport van graan en steenkool.
Tijdens de jaren 1930 - 1940 werken er een dertigtal personen in de cilindermaalderij, die 24 uur op 24 en zes dagen per week draaide. Elke dag werd ongeveer 80 ton bloem gemalen, veelal bestemd voor bakkerijen.
In 1940 legt architect Max Manfroid de laatste hand aan de bouw van een kleiner maar gelijkaardig bouwwerk.
Maalderij Moulart is één van de drie maalderijen die Brussel nog steeds rijk is.
In 1955 stopt Moulart haar activiteiten wegens de grote concurrentie van de industriële maalderijen in de kanaalzone. De gebouwen worden nu gebruikt als opslagplaats voor banden.

Elektrische centrale

In 1903 bouwt de Brusselse Trammaatschappij aan de Demetskaai 33 een elektrische centrale. De centrale van Elsene levert immers niet meer voldoende elektriciteit voor de trams. De installatie in Anderlecht is zeer modern en zijn tijd ver vooruit.
Op het terrein zijn verschillende gebouwen bewaard gebleven: de oude centrale, de kolensilo’s, de geplaveide koer, het directiehuis en een monumentale trap met een prachtige stenen balustrade.
De centrale bevindt zich aan de rand van het kanaal om de toevoer van steenkool te vergemakkelijken. Daarenboven levert het kanaal het water dat nodig is voor de stoomcondensatie. De spoorweg vanuit Schaarbeek vervoert steenkool en dieren naar de slachthuizen van Anderlecht, aan de andere kant van het kanaal.
De ligging tussen de hoofdgebouwen, de grootsheid en de kwaliteit van de architectuur geven het terrein een indrukwekkende uitstraling.
De oude centrale dient vandaag als onderhoudsplaats voor de sporen en spoorwissels van de MIVB.